De Griekse suite
Julie Smit, manager en oprichtster van Hotel-Boekenlust, en Jan van Lent, fotograaf en filmmaker, wonen sinds 2003 op het Griekse eiland Lesbos. Elke week verschijnt er een column van Julie Smit en een foto van Jan van Lent.
Toen de pijnbomen nog een gezicht hadden
Het is moeilijk vast te stellen welke bomen meer voorkomen op Lesvos: olijfbomen of dennenbomen. Wat olijfbomen opleveren, weet iedereen, maar wat dennenbomen voor nut hebben, behalve een aangenaam koele schaduw geven tijdens hete dagen, is een oud verhaal dat misschien niet iedereen kent.
Pijnbomen
De zaadvruchten zijn uiteraard de dennenappels. De zaadjes, die verstopt zitten tussen de schubben van een dennenappel, zijn eetbaar, maar meestal veel te klein om gegeten te worden. Alleen de dennenappel van de parasolden, een soort pijnboom (wat weer een andere naam is voor een dennenboom), bevat zulke grote zaadjes dat het de moeite loont ze te verzamelen voor consumptie: pijnboompitten.
Jammer genoeg staat Lesvos niet vol met deze gezonde-nootjes-dragende dennen, want dan zou de pijnboompit vast ook zijn doorgedrongen tot de Lesvoriaanse keuken. Lesvos is echter wel rijk aan aleppodennen (Pinus halepensis), hoewel wetenschappers beweren dat het een subspecies of zelfs een geheel andere den is, namelijk de Turkse den (Pinus brutia), die het hart van het eiland rondom de Olympos groen kleurt. In het westen vind je ook nog eens bossen met zwarte dennen (Pinus nigra).
Dennenbomen leveren hout op, maar het is geen hardhout. Er wordt hier op Lesvos, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in het Amazonegebied, met mate en met gezond verstand gekapt. Het is duidelijk dat de bevolking van het eiland inziet, dat deze dennenbossen van waarde zijn voor het eiland.
Ze maken bovendien deel uit van de Lesvoriaanse geschiedenis. Tijdens de Turkse bezetting werd er hout en hars uit de bossen gewonnen. Een bijproduct van de hars is teer, dat aan de scheepswerven werd verkocht: een ideaal product om schepen waterdicht mee te maken.
Totdat in 1923 de grote Turks-Griekse bevolkingsuitwisseling plaatsvond, leefden er nomaden in de bossen rond Ayasos, de zogenaamde Joeroeki, die in tenten woonden en leefden van de verkoop van brandhout en kleine houtnijverheid.
Vanaf de jaren 20 werden de bossen rondom Ayasos verhuurd aan bedrijven die hars wilden oogsten. Hiervoor namen de investeerders lokale arbeiders in dienst, die maar wat graag de bossen introkken, omdat armoede in die tijd troef was.
Heel soms kom je nog wel een bakje tegen, bevestigd tegen een dennenboomstam, maar de periode waarin de harshandel floreerde op het eiland, begon in de jaren 20 en eindigde rond 1968, niet omdat de bomen waren uitgeput, maar omdat veel eilandbewoners het armoedige en harde leven op het platteland en in Griekenland voor gezien hielden: ze vertrokken massaal naar de grote Griekse steden op het vasteland en naar Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, Amerika en Australië voor een betere toekomst. Er bleven eenvoudigweg niet genoeg arbeiders meer over om hars te tappen.
Zo’n halve eeuw geleden heerste er nog een totaal ander leven in de Lesvoriaanse bergdorpen, zoals bijvoorbeeld Ambeliko. Van april tot en met oktober, 6 of 7 dagen in de week, trokken vele mensen de bossen in om hars te tappen. Ondanks dat ze vaak leefden op bedorven voedsel en brak water, wisten ze zichzelf en hun families in leven te houden. Doordeweeks leefden ze in hutten in het bos: lage stenen of houten muren, een dak van takken, een stapel dennenhout als bed en een lap stof als deur.
Net zoals tegenwoordig het kappen van bomen met beleid gebeurt, was destijds het aftappen van de bomen geen werkje dat je zomaar met de botte bijl kon aanvangen. Een speciaal hakinstrument, de adze, was zó gemaakt dat je, wanneer je goed sloeg, de aders waardoor het hars door de boom loopt, niet dichtsloeg maar openliet. De omvang van de inkerving mocht maar een bepaalde grootte en diepte hebben, anders werd de boom beschadigd. En o wee als je per ongeluk te diep sloeg: dan kon je een boete krijgen van de opzichter! Tot driemaal toe werd er schors uit deze inkerving - ook wel ‘het gezicht’ genoemd - gehakt om nieuwe aders open te maken teneinde het hars te verzamelen.
Terwijl de meeste bergdorpen er nu grotendeels verlaten bij liggen vanwege de emigratie, zullen er in die tijd ook niet veel mensen thuis zijn geweest, omdat ze altijd aan het werk waren. Verzamelden ze geen hars, dan waren ze in de winter wel op de olijfvelden aan het werk.
De Griekse cineaste Irini Stathi* maakte een indringende documentaire over een groepje oude inwoners van het bergdorp Ambeliko: ‘Het gezicht van de pijnbomen’. Het is een waardevol document over een levenswijze die geheel vergeten dreigt te raken.
Verschillende oudjes vertellen in deze film hun verhaal uit die tijd. Over hoe de bossen werden verhuurd en verdeeld onder de arbeiders, over hoe een opzichter een vrouw haar adze afnam, omdat ze te diep had geslagen, en zij vervolgens om een boete smeekte om zodoende haar werk te kunnen behouden, over guerillastrijders die tijdens de burgeroorlog de bossen onveilig maakten, hoewel men meer te vrezen had van de soldaten. Het was in die tijd behoorlijk aanpakken, daar waren deze door het leven getekende mensen het helemaal over eens. Maar ze vertelden ook dat ze best gelukkig waren in die tijd, in tegenstelling tot tegenwoordig, nu er alleen maar wordt gejeremieerd. Een omaatje vertelde hoe vroeger de bergen gonsden van de muziek: wanneer de arbeiders ’s morgens aan het werk togen, werd er altijd gezongen, net zoals ’s avonds wanneer de arbeid was gedaan. Iemand anders beaamde dit en zei: ‘Maar nu zingen zelfs de vogels niet meer...’.
De verzamelde hars werd per ezel naar Megalo Limni gebracht, later naar Achladeri of zelfs naar Panayoeda (naast Mytilini), om vandaar verscheept te worden naar de fabrieken. Op verschillende plekken op het eiland vind je nog de stille getuigen van dit leven: oude boshutten, opslagtanks voor de hars en zelfs nog een vervallen kafenion, midden in het bos.
Het bekendste product van dennenhars is natuurlijk de retsina, een wijn die rijpt in met hars ingesmeerde vaten en al duizenden jaren wordt gemaakt. Nu er steeds betere andere wijnen op de Griekse markt komen, dreigt deze harswijn uit te sterven: steeds meer mensen trekken hun neus op voor deze pittige, witte wijn. Ze hebben ongelijk: de dagen van de zingende bossen en de tijden dat de dennenbomen nog een gezicht hadden, komen waarschijnlijk niet meer terug, maar een smakelijk glaasje retsina is, net als de feta, een Grieks product dat niet weg te denken is uit het Griekse leven.
*Irini Stathi schreef een aantal boeken en publicaties over de Griekse films, was editor van een aanzienlijke lijst filmproducties en werkte zo’n 10 jaar voor de grote, Griekse filmregisseur Theo Angelopoelos. Nu werkt ze voor de Egeïsche Universiteit als assistent-professor op de afdeling Culturele Techniek en Communicatie.

