De Griekse suite
Julie Smit, manager en oprichtster van Hotel-Boekenlust, en Jan van Lent, fotograaf en filmmaker, wonen sinds 2003 op het Griekse eiland Lesbos. Elke week verschijnt er een column van Julie Smit en een foto van Jan van Lent.
Tussen hoop en Hades
De amandelboom is de eerste boom in het jaar die bloeit, vaak al in januari. Terwijl de anemoontjes juist erg vroeg van de partij waren deze winter, vanaf november vorig jaar al, liet de amandelbloesem dit jaar op zich wachten. Nu pas beginnen de bomen in die prachtig rozewitte wolken te veranderen.
Een afodil en amandelbloesem
Vincent van Gogh was ook een grote liefhebber van de amandelbloesems. Hij schilderde bloeiende amandeltakken voor zijn broer Theo, wiens vrouw net was bevallen van een kind. De takken steken af tegen een strakblauwe hemel, zodat je de indruk krijgt dat ze door de lucht zweven. Jammer genoeg moeten wij het hier in het noorden van het eiland, na maanden van zonneschijn en lentetemperaturen, nu doen met wat meer winters weer: grijze luchten en een ijskoude noordenwind. Wanneer je onder de amandelbloesems staat, mis je weliswaar de kleur die Vincent zo mooi als contrast gebruikte voor die tere lichtroze bloemen, maar zelfs de grijze hemel verhindert niet dat je een betoverende lichtheid voelt en een bedwelmend zoete geur inademt. Het doet je verlangen naar de snelle komst van de lente. De amandelboom is dan ook de boom van de hoop en de inspiratie voor mooie verhalen.
Een van de zonen van Theseus was Demophon, die tezamen met vele Griekse helden en halfgoden ten strijde trok tegen Troje, ontmoette een prinses uit Thracië, Phyllis, toen hij van de oorlog terugkeerde. De twee werden verliefd, maar alvorens te trouwen, wilde Demophon terug naar huis, naar Athene, om wat zaken te regelen. En zo begon Phyllis te wachten op haar aanstaande bruidegom. Sommige versies van deze mythe zeggen dat Phyllis elke dag naar de zee liep om de hele dag over het water uit te kijken voor haar geliefde, andere zeggen dat ze voor het altaar wachtte op haar bruidegom, die maar niet kwam opdagen. Ziek van liefdesverdriet sloeg ze tenslotte de hand aan zichzelf. De godin Athina kreeg medelijden en veranderde Phyllis in een amandelboom. Toen Demophon, nadat hij om allerlei redenen was opgehouden, terugkwam naar Thracië, vond hij daar de amandelboom. Het verhaal gaat dat de boom nog kaal was, maar toen Demophon de boom omarmde, sproten opeens de bloesems open.
In Portugal doet er ook een mooi verhaal de ronde over de amandelboom: een Moorse koning trouwde met een Noorse prinses en ze woonden in de Algarve. Het Portugese landschap met zijn fluitende vogels en kleurige, vroeg bloeiende bloemen kon de prinses in de winter echter niet bekoren. Ze had heimwee naar de kou en de sneeuw uit haar veel hoger gelegen land. Ze werd steeds depressiever en sloot zich op in het paleis, waar ze alle ramen gesloten hield omdat ze het Spaanse landschap niet meer wilde zien.
Vroeg in maart echter gaf de koning opdracht alle luiken open te gooien en hij dwong zijn vrouw naar buiten te kijken. Daar zag de prinses een wit landschap dat haar heimwee meteen deed verdwijnen. Het groene landschap was onder een witte deken van amandelbloesemblaadjes bedekt, en zo kwam het dat de koning en zijn prinses uit het hoge noorden sindsdien nog lang en gelukkig leefden.
Al slenterend door dit ‘sneeuwlandschap’ viel me echter op dat deze bloemenpracht niet alleen was dit jaar. Ook de affodillen (Asphodelus aestivus) beginnen nu te bloeien, en zeker vanuit de verte lijken deze bloemen sterk op de amandelbloesems. Toch kan er bijna geen groter verschil bestaan tussen bloemen: terwijl bij de een de bloemenluister vanuit de lucht lijkt neer te dalen, steken de affodillen hun bloemen stoer vanaf de grond naar boven, en de zoetgeurige amandelbloesems lijken een hemelgeschenk, terwijl de affodillen juist de naam hebben uit het dodenrijk op te rijzen. Ik heb een keer een bos van deze schoonheden geplukt om ze binnen in een vaas te zetten, maar dat doe ik geen tweede keer: ze stinken!
Hoewel ze vroeger rond een graf werden geplant en dus eigenlijk de voorbodes waren van een leven in de onderwereld, beschouw ik deze fraaie, vroege bloemen toch als een lenteteken. Het was dan ook de lievelingsbloem van Persephone, dochter van Demeter, die ontvoerd werd naar de onderwereld. Ze wordt regelmatig afgebeeld met een krans van affodillen om haar hoofd. Misschien stinkt het zó erg in de onderwereld dat hun geur daar te verdragen is. Erg jammer van die ietwat scherpe, bittere reuk (die je overigens alleen waarneemt als je er met je neus bovenop staat), want zoveel amandelbloesems de bomen presenteren, zoveel affodillen kleuren momenteel het landschap met hun tere, zachtroze kleur. Terwijl de gele variant (Asphodeline lutea) een geliefde bloem in de tuinen van West-Europa is, vind je hier zeeën van de wilde, witte variant waarvan een veld vol zeker niet onderdoet voor een bloeiende amandelboom. Het is onterecht dat ze hier zo weinig gewaardeerd worden.
De plant behoort tot de leliefamilie en ontspruit uit een bol. Je kunt ze moeilijk over het hoofd zien, want meestal zijn ze wel een meter hoog. Terwijl Homeros ze in zijn Odysseus als bloemen uit het dodenrijk presenteerde, vertelde Plinius dat je ze voor je buitenhuis moest planten om de heksen op een afstand te houden. Theophrastos schrijft dat de bol het beste deel is om te consumeren: ze waren geliefd om samen met vijgen te eten. Ook werden ze in warme as gekookt en bestrooid met wat zout en een scheutje olie, wat het lievelingsmaaltje van Pythagoras scheen te zijn. De pulp van gekookte bollen was goed tegen spier- en zenuwziekten, de verse pulp van een bol was goed om sproeten te verwijderen, en de zaadjes gemarineerd in wijn vormden een goed medicijn tegen een slangenbeet. Een plant waar je wat aan hebt, zou je zeggen. Nu staan ze in de schaduw van de amandelbloesems enkel nog maar elegant te wezen in het Griekse landschap. Zó duidelijk aanwezig en typerend voor het vroege lentelandschap, maar ook zo enorm vergeten...


