De Griekse suite
Julie Smit, manager en oprichtster van Hotel-Boekenlust, en Jan van Lent, fotograaf en filmmaker, wonen sinds 2003 op het Griekse eiland Lesbos. Elke week verschijnt er een column van Julie Smit en een foto van Jan van Lent.
Champignons gevuld met mariadistel
De echte winter heeft al enkele weken geleden zijn intrede gedaan op het eiland. De Lepetimnos is voor de derde of vierde maal gesuikerd met sneeuw, Ayasos heeft al een flink pak sneeuw gehad, net als Megalochori en andere gebieden in Midden- en West-Lesvos, en de sneeuw kwam op een vroege morgen zelfs in Eftaloe, dat toch echt niet bekend staat om zo’n witte deken. Nu raast er een Siberische wind over het eiland en ik hoorde zelfs iemand zeggen, dat de gevoelstemperatuur -10 °C is, terwijl het kwik slechts rond het nulpunt hobbelt.
Marlboro zee (foto: Smitaki)
Vanmorgen werd ik wakker en zag dat de zee rookte. De eerste winter dat ik hier was en ik dit fenomeen waarnam - namelijk dat de lucht ijskoud is en de zee nog relatief warm, waardoor er rookpluimpjes boven het water verschijnen - noemde ik dit de Marlboro zee. Omdat ik nog niet goed genoeg Grieks sprak om dit fenomeen aan te kunnen duiden, zei ik tegen de buren dat de zee Marlboro’s aan het roken was.
Terwijl de zee dus nog een sigaretje opsteekt en ik me stevig inpak tegen dit ijskoude weer - ik moet tenslotte de honden uitlaten - is de lente echter ook al haar offensief begonnen. En dat is wat ik zo heerlijk vind aan die Griekse winters: het is hier nooit alleen maar winter, het is ook al een beetje lente.
De aanloop naar de winter was droog, en nog steeds is er niet genoeg regen gevallen om al die dorstige plantjes die zich in de aarde verstoppen, genoeg energie te geven om zich omhoog te wroeten. Zo kwamen de anemoontjes die andere winters zelfs al in december hun kopjes boven de aarde staken, maar heel aarzelend tot bloei. Totdat er vorige week eindelijk een lading water naar beneden kwam en de anemoontjes wat massaler besloten hun kleuren ten toon te spreiden in het winterse landschap.
Door die droogte hadden we in de herfst al nauwelijks paddestoelen en ook de weidechampignons die normaliter het winterweer trotseren, lieten zich niet veel zien, tot ze vorige week na de regen helemaal gelukkig naar boven schoten en ik een zak vol kon plukken.
De amandelbloesems hebben ook maling aan het koude weer. Die ontvouwen heel stoutmoedig hun tere, roze blaadjes in de ijskoude wind. Ik hoop dat hun vruchtbeginselen die ze in hun bloemenpracht verbergen, vorstbestendig zijn, want de weerberichten voorspellen voor de komende dagen dat de tempratuur behoorlijk onder nul gaat zakken.
Het ijzige winterlandschap wordt ook opgefleurd door de vrolijk gekleurde sinaasappels, mandarijnen en citroenen die overal aan de bomen hangen, klaar om geplukt te worden. Dat levert veel vitamine C als bescherming tegen de voortdurende kou.
En dan zijn er de chorta, wilde groenten, die de grond uitspurten. De jonge brandnetels zijn heerlijk om een omelet mee te bakken, en vorige week heb ik nog meer stekelig groenvoer geplukt om te eten: de jonge bladeren van de mariadistel.
Mariadistels zijn heel gezond om te eten. Ze bevorderen de spijsvertering, worden gebruikt tegen hart-, vaat- en reisziekte enverwerkt in geneesmiddelen tegen leverbeschadigingen; ze schijnen zelfs je lever te beschermen, wanneer je eens goed de fles raakt.
Ze hebben de naam te danken aan de witte vlekken en aders op hun bladeren, die volgens een overlevering afkomstig zijn van de moedermelk van Maria, die in de rondte spatte toen ze vluchtte om Jezus uit handen van de Romeinen te houden.
Mariadistels kunnen 's zomers wel 2 meter hoog worden. Hun bladeren zijn behoorlijk stekelig en zelfs hun beginnende rozetten, waaruit de steel zal komen met de paarse bloem waar vooral vlinders gek op zijn, kunnen al behoorlijk prikken. Het was dus niet een klusje waarvan ik dacht: ik ga eens fijn mariadistels verzamelen voor het eten. Maar op een moment krijg je er wel handigheid in om de prikkels te ontwijken. Alhoewel het wassen ervan ook een behoorlijke uitdaging was. De rozetten liggen bijna plat op de grond, dus er komt nogal wat aarde mee wanneer je ze afsnijdt en dan hebben ze een goeie wasbeurt nodig, voordat je ze in hun hete bad gooit om ze te koken: handschoenen aan! Ik las in een recept op internet dat je al die stekels moest afknippen, wat geen prettig vooruitzicht was, want die kleine rozetten hebben veel bladeren met nog veel meer stekels, en om ze te koken, moet je een ruime hoeveelheid rozetten hebben. Ik had echt geen zin om uren stekels te gaan knippen, want het plukken ervan is al een heikele en tijdrovende klus. Maar gelukkig verdacht ik degene die het recept schreef, ervan nooit de distels gekookt te hebben, want bij het koken worden de prikkels zacht en glijden ze zacht als boter door je keel.
Na de prikkelende voorbereidingen en het koken van de distels, ontdeed ik enkele grote champignons van hun steeltjes (de weidechampignons waren te klein om te vullen), hakte die fijn en bakte die in wat olie met spekjes. Ook de hoedjes deed ik erbij, totdat ze geslonken waren. Die haalde ik eruit en zette ik apart. De mariadistelblaadjes sneed ik fijn en voegde ik bij de stukjes champignon en spek. Ik bakte alles nog even door en kruidde het met peper, zout, knoflook en wat tijm. Met dit mengsel vulde ik de champignonhoedjes, en voilà: champignons gevuld met mariadistel! Een heerlijk bijgerecht of hapje voor bij de ouzo, en zeker een aanrader voor als je het op een zuipen wilt zetten.
En zo zie je maar dat de Griekse winter niet alleen kou te bieden heeft.