De Griekse suite
Julie Smit, manager en oprichtster van Hotel-Boekenlust, en Jan van Lent, fotograaf en filmmaker, wonen sinds 2003 op het Griekse eiland Lesbos. Elke week verschijnt er een column van Julie Smit en een foto van Jan van Lent.
Het wonder van een crisis
Er wordt al zoveel over de financiële crisis in Griekenland geschreven, dat ik daar niet meer over hoef te berichten. Ik zal u vertellen over een andere crisis, waaruit iets heel moois is ontstaan. Het gaat over de vroegere hoofdstad van het zuiden van Lesvos: Megalochori.
Plomari
Honderden jaren geleden was het zuiden van Lesvos één grote wildernis: een ideale plek voor mensen om zich terug te trekken. Vervolgens ontstonden er kleine gemeenschappen, die zich rond een kerkje schaarden. Later kwam er een olijfpers en zo ontstonden er verschillende dorpen. Het grootste dorp was Megalochori (mega betekent groot, chori betekent dorp) dat geruime tijd de skepter zwaaide over de regio. De dorpen lagen hoog in de bergen verscholen, op veilige afstand van de zee, waar zeerovers het voor het zeggen hadden en regelmatig een uitval deden naar de eilanden om dood en verderf te zaaien.
In de negentiende eeuw was de piraterij min of meer uitgestorven, maar kregen de dorpen op de zuidelijke hellingen van het Olympos gebergte met een andere, net zo meedogenloze vijand te maken: drie opeenvolgende zomers (1841, 1842 en 1843) raasden vlammenzeeën over de bergen en legden zowel dorpen als boomgaarden in de as. Toen in 1850 de Grote Kou nog meer bomen en gewassen liet sterven, was het merendeel van de bevolking al naar de kust getrokken, om zich te vestigen langs het water, waar enkele vissers woonden.
En zo werden er rond de monding van de rivier Sedoenda huizen gebouwd, zeepfabrieken uit de grond gestampt, olijfpersen, molens om meel te malen, ouzofabrieken en schepen vervaardigd om handel mee te drijven. De nieuwe vestiging trok zeelui aan van over heel Griekenland, zoals uit de Cycladen, Kythira, Psara en het Griekse vasteland. Het was een goeie tijd om helemaal overnieuw te beginnen: het was weer veilig aan de kust, de economie trok aan op het eiland en zo kende het nieuwe stadje, dat ‘Rivier’ (potami in het Grieks, Flumare in het Genuees*) werd genoemd, een vliegende start dankzij de goede handelswegen via het Ottomaanse Rijk, van Thessaloniki, Odessa tot aan Antalya.
Rond 1922, toen de Lesvoriaanse economie samen met het Ottomaanse rijk ineenstortte, werd ook Plomari hard getroffen en werden langzaam maar zeker de meeste grote bedrijven gesloten. In veel delen van het hedendaagse Plomari lijkt dan ook de tijd te hebben stilgestaan: grote vervallen patriciërshuizen, molens en fabrieken sieren het stadsbeeld en zijn de stille getuigen van het eens zo bloeiende stadje.
Ondanks dat de economie terugviel, werd in 1928 toch de haven, zoals we hem nu kennen, opgeleverd en konden vele Plomarianen doorgaan met de visserij, en, nog belangrijker, ook de scheepsbouw ging nog enkele decennia door, omdat Plomari inmiddels beroemd was dankzij de bouw van houten zeilboten die konden worden geleverd in de klassen van 20 tot 150 ton.
Plomari is altijd het buitenbeentje van het eiland geweest, omdat het in de vroegere tijden, toen er nog geen verharde wegen waren, moeilijk te bereiken was. Goed verborgen achter de steile, zuidelijke hellingen van het Olympos gebergte, leidde het een enigszins geïsoleerd bestaan en was het vervoer vooral afhankelijk van de zeewegen.
Tegenwoordig wordt Plomari de hoofdstad van de ouzo genoemd, dankzij de voortreffelijke - en naar mijn mening ietwat gekruide - ouzo van oude families zoals Varvayannis, Pitsiladi en Arvaniti die elke crisis weer te boven kwamen. Maar ook de olijfolie, afkomstig van de olijfgaarden die na de Grote Kou in de bergen weer waren aangeplant, kapen steeds meer prijzen weg op internationele beurzen.
Dankzij verharde wegen is een uitstapje naar Plomari, de nieuwe hoofdstad van het zuiden en na Mytilini de grootste stad van het eiland, al lang geen avontuurlijke onderneming meer, eerder een adembenemende tocht door een landschap dat vroeger ook wel het Zwitserland van Lesvos werd genoemd. Op de flanken van de berghellingen liggen nog talrijke idyllische dorpen verborgen, die ondanks de branden, de vernieling door de vorst en de uittocht naar Plomari en verre landen over zee, zijn blijven voortbestaan. Je hebt het goed verborgen Neochori met zijn oude olijfpers; Ambeliko, gebouwd tegen een steile helling, met in het midden van het dorp een vierkante toren uit de middeleeuwen (15de eeuw) en beneden in het dorp een kerk met een interessant klein museumpje met folkloristische en religieuze voorwerpen; je hebt Akrasi, gebouwd rondom het dorpsplein met het fraaie uitzicht over het dal dat naar het gehucht Drota aan zee voert; en er is het levendige dorpje Paleochori met een bakker die zijn broden nog steeds in een houtoven bakt. Alleen de dorpjes Milies en Koernella zijn merendeels verlaten.
Dankzij de crisis van de negentiende eeuw, veroorzaakt door branden en koude, heeft Lesvos nu een lieflijk, bijna Italiaans aandoend stadje, dat tegen de berghelling aangeplakt lijkt te zijn en waarvan de huizen almaar hoger lijken te worden om de zee te kunnen zien. In het labyrint van smalle straatjes en trappen die op en af voeren, ontdek je statige, neoclassistische huizen, vaak in erbarmelijke staat, maar ernaast vrolijk ogende, gerestaureerde, hoog opgeschoten panden die laten zien dat Plomari zich uit de armoede heeft weten te werken. In het lagere gedeelte van de stad, langs de monding van de Sedoenda, vind je nog wit gekalkte, oude zeepfabrieken en het pleintje onder de reusachtige plataan, even achter het marktplein (agora) naast de haven aan zee, is een ideale plek om koffie te drinken, tenzij je liever van het geflaneer wilt genieten op een van de vele terrassen langs de zee.
En zo zie je maar dat een crisis niet alleen overwonnen kan worden, maar dat er ook mooie, nieuwe dingen uit kunnen ontstaan. Plomari is tegenwoordig de nog niet massaal ontdekte toeristische parel aan de zuidkust, een gemoedelijk stadje waar de Grieken hun schouders ophalen over de zoveelse crisis.
* : noot WT:
Een andere verklaring voor het ontstaan van de naam Plomari is van botanische aard: met name in de directe omgeving van Plomari treft men sinds oudsher in groten getale de plant Euphorbia Charasias (uit de familie van de Wolfsmelk) aan die in de Griekse volksmond Flomos genoemd wordt. Oudere generaties Plomarianen herinneren zich nog dat het dorp lang geleden Flomari heette, genoemd naar deze plant, wat later door toedoen van een klankverschuiving Plomari werd.

